Hoe heeft ’t ooit zover kunnen komen? – Hoofdstuk 1, Mijn jonge jaren

Bijgewerkt: aug 19

Update zaterdag 1 augustus 2020

Mijn geboortegrond ligt in Vught (N.B.), een forenzen plaats onder de rook van

‘s Hertogenbosch. Mijn ouders komen beiden niet uit het Brabantse land. De ouders van mijn moeder zijn vanwege het werk van mijn grootvader in ‘s Hertogenbosch terecht gekomen. Mijn grootvader was adjudant administrateur bij de Marechaussee. Mijn grootouders kwamen oorspronkelijk uit Weesp en Naarden in ’t Gooi. Het gezin had 6 kinderen. Mijn moeder als oudste en enige dochter met vijf broers. Toen zij in 1926 in ‘s Hertogenboschkwamen wonen was mijn moeder 14 jaar. Zij heeft aldaar de MULO doorlopen en heeft tot haar trouwen bij de PNEM[i] gewerkt. Inmiddels was het gezin in Doetinchem in aanraking gekomen met de HAZEA[ii] en daar toegetreden. Mijn moeder vertelde dat haar ouders en grootouders in het Gooi officieel tot de protestantse gemeente behoorden maar nauwelijks meer iets aan God en godsdienst deden. Zij waren in feite al geseculariseerd. Aangezien het gezin van haar ouders in Drempt bij Doesburg woonde liepen zij elke zondag naar Doetinchem en terug om de twee diensten te bezoeken. Tussen de middag werd bij een apostolische familie de maaltijd genuttigd. Voor haar gevoel raakte zij toen behoorlijk veel van haar vrijheid kwijt. Want de morgendienst duurde al gauw 2 uur (sic). Maar de middagdienst ook ruim 1,5 uur. Zij heeft vaak verteld dat zij daar erg aan moest wennen.

En mijn vader stamt uit een gezin met acht kinderen en is geboren in 1908 als vierde kind in de rij in de Twijnstraat 8 te Utrecht. Waarom weet ik dat zo goed? Mijn grootvader was zetbaas van de bekende grootgrutter die op de kleintjes let. En deze winkel is daar nog steeds. Mijn grootvader van vaderszijde was meer belijdend protestant. Mijn grootmoeder was van huis uit katholiek. Je kunt begrijpen dat een gemengd huwelijk aan het begin van de twintigste eeuw voor heel wat spanningen in beide families. Mijn vader zat bij een jongelingen vereniging alwaar hij regelmatig een voordracht hield over een bijbels onderwerp. Direct na WO I stierf een jongere zuster van hem aan de Spaanse griep. Zelf kreeg hij op zijn veertiende een ernstige longaandoening die hem zijn hele leven heeft achtervolgd. Wegens langdurige behandelingen moest hij zijn opleiding op de kweekschool tot onderwijzer afbreken. Na enkele jaren was hij weer in staat zijn dagelijkse leven op te pakken. Overdag geld verdienen om avondstudies te kunnen volgen. Door zijn zwakke gezondheid en de crisisjaren heeft hij uiteindelijk toch een baan in zijn vak kunnen vinden. Later werd hij procuratiehouder bij een middelgroot bedrijf.

Mijn vader kwam als zelfstandige jongeman in ’s Hertogenbosch terecht. Inmiddels was hij politiek ook actief geworden en lid geworden van het AJC[iii]. Toen hij later in

’s Hertogenbosch toetrad tot de HAZEA heeft hij zich binnen deze gemeenschap steeds meer ingezet. Mijn vader was een sociaal bewogen mens en die politiek gezien meer in de linkse hoek zat. Mijn ouders trouwden kort voor de WO II betrokken een huis aan de Kampdijklaan in Vught. Zij woonden dicht bij het beruchte Kamp Vught[iv].

Ik ben daar in februari 1946 geboren en vernoemd naar mijn grootvader Gerrit Johan Versteegh.

Portret van mijn grootvader uit de jaren ‘30.












In 1947 ben ik door Apostel Berend Paasman ( zie onderstaande foto) verzxegeld in Den Bosch. Zijn naam zal in een later blog terugkeren als ik de periode 1932 tot 1950 zal bespreken.

Ruim twee jaar later werd mijn zuster Riekje geboren.

Mijn zuster Riekje en ik zijn beschermd opgegroeid in een bescheiden burger gezin waar mijn ouders hun uiterste best hebben gedaan om ons het allerbeste mee te geven voor onze toekomst. Zij vonden de hoogst mogelijke opleiding voor ons beiden van hele grote betekenis.

Hoewel na WO II de komst van antibiotica een grote aanwinst was voor chronisch infectieuze processen, bleef de gezondheid van mijn vader toch een belangrijk punt van zorg. Geloof en de Apostolische gemeenschap van de HAZEA stonden centraal in hun leven. Maar wel nuchter en kritisch.

Tijdens WO II en kort daarna waren er binnen deze tak van de Apostolische beweging al veel spanningen.

Mijn moeder was überhaupt niet geporteerd van de Duitse tak van de kerk. Berichten van broeders die in Duitsland in werkkampen tewerkgesteld waren en terugkwamen repten over broeders die in het gebouw de Hitlergroet brachten of in militair uniform op de verhoging stonden[vi]. Ook de mogelijke grote loyaliteit van de kerkleiding in de richting van de nazi’s was mijn ouders ter ore gekomen en een doorn in ‘t oog.

De afscheiding van een groot deel van de Apostolische gemeenschap in 1945 heeft diepe sporen achtergelaten in de beide families van mijn ouders. Zij bleven de HAZEA trouw. Vooral omdat voor mijn vader het christelijke element, de trouw aan de bijbel, in de HAZEA een grotere rol speelde dan bij degenen die zich hadden afgescheiden, het latere Apostolische Genootschap. In een latere fase kwam de Boodschap van J.G. Bischoff aan de orde. Voor mijn ouders is deze Boodschap nooit een groot issue geweest. Zij hebben deze kritisch gevolgd. Mijn vader was sinds begin vijftiger jaren Priester in ’s Hertogenbosch en Vught. Hij zei altijd tegen ons: “Geen Stamapostel kan jou aan de Dag des Heren brengen. Het gaat om jouw persoonlijk geloof, wat je denkt en vooral wat je doet”.

Door de Boodschap heeft zich begin vijftiger jaren binnen de HAZEA een aparte groep afgesplitst die intens geloofde in de spoedige wederkomst van Jezus op aarde. Zij noemden zich Nieuw-Apostolisch. De noodzaak van verder studeren, kranten en tijdschriften lezen, een huis kopen werd als overbodig beschouwd en ook in diensten gepredikt. Het ging zelfs zover dat gasten na de doop alleen de H. Geest konden ontvangen als zij geloofden in de Boodschap van J.G. Bischoff. Mijn ouders waren daar mordicus tegen. Zij moesten niets hebben van deze dweperijen. Toen J.G. Bischoff in 1960 stierf en mijn vader op een vrijdagavond na een Broedervergadering met deze boodschap laat thuis kwam, hoorde ik vanuit mijn slaapkamer het geschreeuw en gehuil van mijn moeder:

“Zij hebben ons bedrogen”.

En toch zijn mijn ouders toen niet afgehaakt….

Welke factoren spelen daarin een grote rol, is mijn vraag?!

Welke consequenties heb ik daar zelf uitgetrokken?

Dat komt in het volgende hoofdstuk aan de orde.



Toren van de Protestantse Kerk in Vught

[i] https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/pnem-in-den-bosch [ii] https://nl.wikipedia.org/wiki/Hersteld_Apostolische_Zendingkerk [iii] https://nl.wikipedia.org/wiki/Arbeiders_Jeugd_Centrale [iv] https://nl.wikipedia.org/wiki/Kamp_Vught [v] De laatste had in WO II vijf in Engeland gezeten. Op 10 mei 1940 moesten geheime militaire documenten vanuit de kazernes in Den Bosch naar Den Haag worden overgebracht. Het konvooi militaire auto’s heeft Den Haag nooit bereikt. Door de aanvallende Duitse troepen werden zij steeds meer in zuidwestelijke richting gedreven. Uiteindelijk zijn zij in Duinkerken overgestoken naar Engeland. Mijn grootvader heeft in Londen vijf jaar op het ministerie van Defensie gewerkt. Voor de familie was hij spoorloos verdwenen. Pas in 1943 kwam pas het eerste teken van leven. Na WO II keerde hij weer veilig terug in Nederland en werd met zijn familie herenigd. [vi] Een opvallend begrip in de taal van deze subcultuur. Het woord altaar werd hiermee vermeden. Zoals ook niet gesproken werd over de kerk als plaats van samenkomst maar over het gebouw. N,B, Er bestaat een prachtig boekje van Manfred Horstmanshoff met de titel “Bewogen woorden, Klein Apostolisch woordenboek”. Een parel! In PDF vorm te downloaden via: https://www.vanoosbreestichting.nl/siteassets/documenten/boeken---samenvattingen/bewogen-woorden-versie-2.pdf

Boeren Hortensia

314 keer bekeken1 reactie

©2020 door Gerrit Sepers

This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now